De verstedelijking van Boogie Woogie

Meadeluxlewis

Albert Ammons

New Orleans
Rond 1900 was New Orleans een stad die barste van de muzikale activiteit. Ragtime was er razend populair en elke bar of saloon had wel ergens een pianist in dienst. Streetparades, brassbands en andere vormen van vroege jazz maakten deel uit van het dagelijks leven en bij elke gelegenheid werd een band of een pianist ingeschakeld. New Orleans was een multiculturele stad met een mengelmoes van zowel Afrikaanse, Europese als Latijn-Amerikaanse muzikale ideeën. Het aantal pianisten in de stad was uitermate groot en in talrijke zwarte cafés en zogenaamde ‘speakeasies’ werd barrelhouse gespeeld. Onder de vele, meestal onbekende pianisten waarvan trouwens amper iets op plaat werd gezet, was er één uitblinker… Roy Byrd (Professor Longhair). Hij experimenteerde met blues, boogie en latin. Professor Longhair wordt soms de Bach van de rock genoemd en beïnvloedde tal van rock’n roll vedetten uit de fifties, in het bijzonder Fats Domino.

New Orleans is in muzikaal-historisch opzicht van het allergrootste belang, zeker voor wat de ontwikkeling van jazz in het algemeen betreft. Boogie woogie ontpopte zich echter in een totaal andere stad, gelegen in het hoge noorden van de verenigde staten.

Chicago : eerste stedelijk centrum
Tussen 1920 en 1930 werd in Chicago het pad geëffend naar de meer gepolijste vorm van boogie woogie. Daar waren verschillende redenen voor met als voornaamste de grote concentratie zwarte pianisten in de stad, de talrijke vaudevilleshows en de opkomst van de platenindustrie. In die tijd verhuisde de zwarte bevolking naar het noorden in de hoop er een nieuw leven te kunnen beginnen met een vaste job en een vast inkomen. Daaronder bevonden zich veel boogiepianisten die het vak hadden geleerd in de honkytonks en barrelhouses in het zuiden. Ze namen de meest uiteenlopende jobs aan zoals taxichauffeur, afwasser, hotelportier en andere betrekkingen die deel uitmaakten van het leven in de grootstad. Om hun inkomen wat aan te dikken gingen ze ‘s avonds en in de weekends optreden. De meest professionelen onder hen kregen zelfs vast werk als pianist in de nachtclubs die stilaan deel uitmaakten van het nachtleven in Chicago.

Tegen het einde van de jaren 20 werd Chicago geteisterd door een zware economische crisis, voorafgegaan door een periode van ‘fast living’. De dansen werden wilder en een toename van het drankverbruik ging hand in hand met een verhoging van de criminaliteit. Om die reden was er een totaalverbod op alcohol van kracht en ontstond er een groot opgezette handel in illegale ‘moonshine’ alcohol, die malafide vormen aannam.
Chicago werd het tafereel van afrekeningen binnen de maffia. Clubuitbaters werden onder druk gezet en gangsters eisten grote sommen geld in ruil voor bescherming. Verplichte afname van alcohol kwam daar nog eens bovenop en later vielen de clubs en saloons zelfs volledig in handen van de maffia.
De huurprijzen werden opgetrokken tot soms het driedubbele van voordien als gevolg van de inflatie. Om die reden werden meer en meer zogenaamde rentparties georganiseerd, om de waanzinnig hoge huishuur te kunnen blijven betalen. (De idee van de house rent party was eigenlijk afkomstig uit New Orleans waar op vrijdag en zaterdag werd rondgegaan van deur tot deur met verse vis. Daaruit ontstond een soort rentparty … de ‘Fish Fry’).

House rent party’s waren dagelijkse kost en boogiepianisten zorgden voor de muziek. Velen onder hen vormden vriendschapsbanden en werkten samen, waardoor nieuwe ideeën werden uitgewisseld in een zoektocht naar als maar betere solo’s en sterkere nummers. Chicago was ook het bookingscentrum voor vaudevilleacts in de noordelijke staten. Veel pianisten stonden op wachtlijsten in de hoop ooit in aanmerking te komen voor een vaste job binnen de theaterwereld. Enkel de besten, die een breed repertoire bezaten en een flinke dosis muzikale kennis, werden aangenomen. Ze moesten immers theaterartiesten kunnen begeleiden waardoor ze muzikaal heel flexibel moesten zijn.


COW COW DAVENPORT (geboren in Alabama in 1894)
Op zijn twaalfde kreeg hij wat pianoles in de klassieke richting, hoewel hij meer geïnteresseerd was in ragtime (zeer tegen de zin van zijn ouders). Al snel verliet hij het ouderlijk huis om zich te vestigen in de grootste stad in zijn buurt … Birmingham. Daar trad hij aanvankelijk op in honkytonks en clubs, waarna hij werd opgenomen in een rondreizend gezelschap, ‘The Barkroot Carnival’. Hij ontpopte er zich tot een uitstekend begeleider en entertainer. Vooral dat laatste was niet onbelangrijk in die tijd. Na veel opgedane ervaring verliet hij het gezelschap om een solocarrière op te bouwen. Zijn meest gekende nummer ‘Cow Cow Blues’ zou later uitgroeien tot een echte boogie woogie-klassieker.

CLARENCE “PINETOP” SMITH. (geboren in Alabama in 1904)
Ondanks zijn korte leven (een verdwaalde kogel werd hem fataal toen hij 25 was) is hij ongetwijfeld de grondlegger van de moderne boogie woogie pianostijl. Net zoals Cow Cow Davenport vestigde hij zich in Birmingham, althans voor twee jaar waarna hij in 1920 verhuisde naar Pitsburgh. Daar werd hij aangenomen in vaudevilleshows, niet enkel als pianist maar ook als tapdanser, zanger en komiek. Zijn latere composities zijn dan ook doorspekt met humor en zijn capaciteiten als pianist-entertainer maakten hem geliefd op rentparties. Veel van zijn nummers waren immers monologen met pianobegeleiding. De jonge Pinetop verhuisde uiteindelijk naar Chicago waar hij een aantal opnames maakte waaronder het legendarische ‘Pinetops Boogie Woogie’, in 1928. Het nummer veroorzaakte een kentering en luidde de eerste fase in, in de popularisering van boogie woogie.

JIMMY YANCEY (geboren in Chicago in 1898)
Op zeer jonge leeftijd was hij reeds gedreven zanger-tapdanser, in duo met zijn vader. Rond zijn zestiende verliet hij de showbusiness om zich volledig toe te leggen op de piano. Hij was niet enkel gekend voor zijn slowbluesnummers, maar hij wierp ook een totaal nieuw licht op boogie woogie door zijn vernieuwende basfiguren. Deze zogenaamde Yancey boogie rhythm techniek wordt gekenmerkt door een zware continue waterval van noten, diep in de bassen. Het nummer ‘Janie’s Joys’ is een mooi voorbeeld van deze typische bastechniek.

MEADE LUX LEWIS. (geboren in Chicago in september 1905)
Hij studeerde aanvankelijk viool en stapte pas later over op de piano. Als tiener was hij reeds goed bevriend met Albert Ammons (zie verder) en ze groeiden samen op in Chicago. Zijn compositie ‘Railroad Blues’, waarvan de naam later werd veranderd in ‘Honky Tonk Train Blues’ werd één van de populairste boogie woogie nummers uit de geschiedenis. Een eerste opname van Honky Tonk Train Blues dateert uit 1929 (Paramount), waarna het nog een aantal keer werd opgenomen. Meade Lux Lewis groeide op tussen de vele Chicago-pianisten maar vooral Jimmy Yancey was zijn favoriet. Hij componeerde zelfs een nummer met als titel ‘Yancey Special’.

ALBERT AMMONS (geboren in Chicago in september 1907)
Studeerde samen met zijn vriend Meade Lux Lewis de grondprincipes van Boogie Woogie in zijn ouderlijk huis. Ammons’ vroege interesse in boogie was enerzijds het resultaat van deze vriendschap en anderzijds door toedoen van zijn vader, eveneens een boogiepianist. Hij kon geen muziek lezen maar had wel een uitstekend muzikaal gehoor en kon zonder problemen transponeren naar andere toonaarden. Deze vaardigheden kwamen hem bijzonder van pas in zijn later leven als bandpianist.

In tegenstelling tot zijn tijdgenoten was Ammons een pianist met veel orkestervaring in de toen aktieve swingbands van ondermeer Francois Mosely, William Barbee en Louis Banks.In 1934 vormde hij zelfs zijn eigen sextet (The Rhythm Kings) waarmee hij regelmatig optrad in de club De Lisa in Chicago. Albert Ammons was een specialist in het ombuigen van jazznummers uit die periode tot boogienummers, waarschijnlijk omdat tijdens soloconcerten regelmatig nummers werden aangevraagd en hij er blijkbaar geen moeite mee had, deze onmiddellijk toe te voegen aan zijn repertoire. Dit was ondermeer het geval met ‘Lady Be Good’, een nummer van Gershwin dat opgenomen werd in Chicago in 1946 met Ike Perkins op gitaar.

Verder zijn Arthur ‘Montana’ Taylor, ‘Cripple’ Clarence Lofton en Charlie Spand nog te vermelden als toonaangevende Chicago-pianisten. Hoewel de linkerhand basspattern die zo typisch is voor boogie zijn oorsprong vind in de zuidelijke barrelhouse circuits, toch wordt boogie woogie altijd geassocieerd met Chicago. Daar verloor het immers zijn primaire functie als blues begeleiding. Het rollende ‘eight to the bar’ ritme is het resultaat van de ontwikkelingen in deze stad.

Andere boogiesteden
Tussen 1920 en 1930 was de situatie in een aantal andere steden gelijkaardig als in Chicago, elk met hun eigen stijl en hun eigen belangrijke figuren. Zo was er in steden als Detroit en St. Louis ook veel boogie woogie te horen. St. Louis was een belangrijke havenstad aan de samenloop van de Mississippi en de Missouririvier en had dan ook een bloeiend nachtleven. De twee bekendste pianisten waren Rufus G. Perryman (Speckled Red) en Roosevelt Sykes. Kansas City had Pete Johnson, Jay Mc. Shann en Mary Lou Williams.

PETE JOHNSON (geboren in KC in 1904)
Zijn roots lagen in de ragtime en hij luisterde vooral veel naar Fats Waller. Het gebruik van swingbas en zogenaamde ‘walking tenths’ in de bassen nam hij van hem over. Pete Johnson trad meestal op met een repertoire van jazz Standards, dit soms 5 à 6 uur aan een stuk. Daarnaast was hij ook een voortreffelijk boogievirtuoos.

Eén van zijn bekendste boogienummers heet ‘Roll’em Pete’. De naam van het nummer zou ontstaan zijn toen tenorsaxofonist Ben Webster hem toeriep ‘Roll for me … Roll’em Pete’! Johnson stond ook bekend bij een aantal grote namen uit de KC big-band middens zoals Andy Kirk, Count Basie, Ben Moten, Cab Calloway en Walter Page met zijn Blue Devils. Vooral zijn langdurige samenwerking met zanger-entertainer Big Joe Turner maakte hem bijzonder populair