Orkestrale Boogie

Savoy Ballroom

Savoy Ballroom, Harlem, 1939

Pogingen om boogie in orkestvorm te brengen werden reeds vroeger ondernomen, maar het was toch vooral door de successen van The Boogie Woogie Trio dat boogie woogie uiteindelijk zijn positie als solo-pianostijl verloor. Big bands schoten in actie en introduceerden boogienummers in hun repertoire. Small bands, waarbij een boogiepianist werd bijgestaan door een klein aantal muzikanten, met of zonder zanger, schoten als paddestoelen uit de grond. Langs alle kanten werd georkestreerd, gearrangeerd en geëxperimenteerd met boogie. Daarbij werd opvallend veel gebruik gemaakt van het ‘Pinetops Boogie’ thema.

Midden jaren 30 ging het twee kanten uit met boogie woogie in orkestvorm. De ene stroming onderhield het contact met de blues en werd later ‘rhythm & blues’, rock’n roll en ‘electric blues’. Een tweede beweging maakte de breuk met de blues en haalde boogie woogie tijdelijk binnen in de wereld van commerciële swing en big band.

Big bands
Swing was enorm populair in de VS tussen 1935 en 1945. Big bands traden op voor overvolle danshalls en op de radio was swing heer en meester. Het was tevens de tijd van de ‘Lindy Hop’, een wilde dans die razend populair werd in het New York van vòòr de tweede wereldoorlog en waar de ‘ballrooms’ de toeloop van dansers nauwelijks nog aankonden. ‘The Savoy Ballroom’ was de bekendste en in 1938 werd daar zelfs een heuse swing-battle georganiseerd waarbij twee big bands het tegen elkaar opnamen.

De voorloper van de lindy hop was een dans die ‘The Boogie Woogie’ werd genoemd en die reeds werd gedanst in de honky tonks en juke joints waar barrelhousepianisten optraden, lang vòòr de swingperiode. Deze honky tonks waren niet erg groot en een piano was doorgaans voldoende om het nodige geluidsvolume te produceren. Tegen het begin van de swingperiode was het aantal dansers zodanig toegenomen dat steeds grotere zalen nodig waren. Het ontstaan van big bands is deels hierdoor te verklaren. In die tijd was geluidsversterking zo goed als onbestaande en men moest wel grotere orkesten inschakelen om het vereiste volume te kunnen produceren, aangepast aan dergelijke grote zalen.

Sommige bandleiders waren aanvankelijk zelf boogiepianisten, zoals Count Basie en Jay Mc. Shann, beide afkomstig uit Kansas City.

Small bands
Van de drie boogievirtuosen Ammons, Johnson en Lewis zijn het vooral Ammons en Johnson die kleinere ensembles samenstelden. Lewis’ bijdrage tot band-boogie was eerder bescheiden en hij gaf voornamelijk soloconcerten. Ammons had zijn ‘Rhythm Kings’ met gitarist Ike Perkins. The Rhythm Kings waren min of meer het prototype van de na-oorlogse rhythm & blues bands en meteen het bewijs dat boogie woogie perfect kon worden gebracht in kleine georkestreerde vorm.
Pete Johnson stond bekend voor zijn samenwerking met blueszanger ‘Big’ Joe Turner, die trouwens ook The Boogie Woogie Trio bijstond tijdens de Spirituals To Swing concerten. Hij was een veelzijdig pianist en trad geregeld op met allerhande kleine tot middelgrote orkesten.
Er waren uiteraard nog meer boogie smallbands. De meeste werden gevormd door muzikanten (afkomstig uit de big bands) die een voorkeur hadden voor de boogie woogie-stijl.

FREDDY SLACK Vanaf 1936 was hij de vaste pianist bij de big band van Jimmy Dorsey en in die periode experimenteerde hij reeds met boogie woogie in orkestvorm. Tussen 1939 en 1941 ging hij voluit voor georkestreerde boogie en vormde uiteindelijk zijn eigen band, ‘Freddy Slack and his Eight Beats’.

Boogie woogie werd een mengelmoes van swing, jazz en blues. Louis Jordan en zijn Tympany Five bracht boogie woogie in de hitlijsten met nummers als ‘Choo Choo Ch’boogie’. De Andrews Sisters zongen hun commerciële versies ‘Scrub Me Mamma with a Boogie Beat’ en ‘Beat Me Daddy Eight to the Bar’. De muziek werd zodanig gecommercialiseerd dat de ernstige boogieliefhebber langzaam begon af te haken.